Gemeenschappelijke bepalingen voor de drie disciplines

Art. 1

De toekenning van de beurzen, bij testament van 15 maart 1871 door Napoléon Godecharle opgericht en bestemd voor beeldhouwers, schilders en architecten die “bedeeld zijn met een merkwaardige begaafdheid” en “terecht een ruim succes mogen verwachten”, en zodoende in staat zijn door hun werken er toe bij te dragen dat “de artistieke faam van België werkelijkheid moge worden”, zal gebeuren door middel van een wedstrijd. “Godecharle- Wedstrijd” genoemd, opgericht bij koninklijk besluit van 17 januari 1881, overeenkomstig de volgende bepalingen. De wedstrijd tegelijkertijd voor de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de architectuur, wordt om de twee jaar georganiseerd, door de Commissie voor Studiebeurzenstichtingen van Brabant, aan wie, bij koninklijk besluit van 12 november 1878, het beheer van de Godecharle Stichting werd toevertrouwd.

Art. 2

De laureaten van elk der wedstrijden, beeldhouwkunst, schilderkunst en architectuur, ontvangen gedurende een periode van twee opeenvolgende jaren een beurs, ten bedrage van 2.500 euro per jaar. Indien de Commissie oordeelt dat voor één van de kunsttakken de beurs niet kan toegekend worden, mag de uitkering ervan overgedragen worden naar één van de andere kunsttakken en toegekend worden aan een tweede kandidaat die deze kunst beoefent. De drie beurzen kunnen zelfs, in het voorkomende geval, toegekend worden aan kunstenaars die dezelfde kunstvorm beoefenen

Art. 3

Onafhankelijk van de sommen toe te kennen aan de laureaten van de wedstrijden zullen van de inkomsten van de stichting afgenomen worden: 1) de onkosten voortspruitende uit de buitengewone publicatie van het openstaan van de beurzen van de stichting Godecharle en uit de mededelingen aan de mededingers; 2) de gewone verplaatsingen, verblijfsvergoedingen alsmede de zitpenningen toe te kennen aan de juryleden; 3) de onkosten eigen aan de organisatie van de wedstrijd en aan de tentoonstelling van de door de jury in aanmerking genomen werken, zoals onkosten voortkomende uit het drukken van affiches of catalogi, mededelingen in de persorganen, fotograferen van de werken gemaakt door de laureaten van de wedstrijd.

Art. 4

Minstens zes maanden vóór de 1ste januari van het wedstrijdjaar laat de Commissie voor Studiebeurzenstichtingen van Brabant, in de vorm voorgeschreven voor de stichtingsbeurzen, door middel van een speciaal aanplakbiljet, een bericht publiceren dat het openstaan van de beurzen van de stichting en de organisatie van de wedstrijd aankondigt. Een gelijkaardig bericht wordt medegedeeld aan de Rijksministeries voor Cultuur, aan de academiën voor Schone Kunsten, aan de pers en andere verspreidingsmedia.

Art. 5

De wedstrijd staat open voor kunstenaars die van Belgische nationaliteit zijn of staatsburger zijn van een van de landen van de Europese Unie en op de datum van het afsluiten van de kandidaturen sedert ten minste vijf jaar in België wonen of verblijven, die op één januari van het wedstrijdjaar minder dan vijfendertig jaar oud zijn en die voordien nog geen laureaat van de wedstrijd zijn geweest.

Art. 6

De aanvragen voor deelneming aan de wedstrijd dienen ingediend te worden op inschrijvingsformulieren, afgeleverd door de organiserende Commissie op de datum die ze aangekondigd heeft , bij de genoemde Commissie te Brussel. Zij moeten vergezeld zijn van de nodige bewijsstukken aangaande de voorwaarden van nationaliteit, ouderdom en moraliteit vereist door de stichtingsakte van de Godecharle Stichting, door dit reglement en door de organieke wet van 19 december 1864. De wedstrijd voor architectuur vereist daarenboven het bezit van de titel van architect waarvan ook het bewijs moet voorgelegd worden.

Art. 7

Elke kandidaat die het werk van een ander als het zijne voorstelt, wordt uitgesloten uit de wedstrijd waarvoor hij was ingeschreven. Hij verliest alle rechten op een beurs, zelfs als deze hem reeds toegekend zou zijn, onverminderd de toepassing van artikel 496 van het Wetboek van strafrecht.

Art. 8

De Commissie behoudt zich het recht voor binnen drie maanden na het besluit van de jury ten toon te stellen : 1° de representatieve catalogi van de kunstwerken alsook de werken voorgelegd aan de jury’s van de wedstrijden beeldhouwkunst en schilderkunst; 2° de werken voorgesteld met toepassing van art.11, alinea 2; 3° de werken voorgelegd aan de jury's van de wedstrijden schilderkunst en beeldhouwkunst; 4°de aan de jury van de wedstrijd architectuur voorgelegde ontwerpen en werken. Evenzo behoudt de Commissie zich het recht voor de door de laureaten vervaardigde werken door alle geëigende middelen, met name via de diverse media, kenbaar te maken, zulks zonder beperking in de tijd en zonder speciale vergoeding.

Art. 9

De Commissie wijst elke aansprakelijkheid af voor het geval dat voor de wedstrijd ingediende documenten en werken of met toepassing van art. 11, alinea 2, ingezonden kunstwerken hoe dan ook mochten verloren gaan of beschadigd raken, hetzij bij hun toe- of terugzending, hetzij terwijl ze ter beschikking staan van de jury’s of voor het publiek worden tentoongesteld. De Commissie wijst eveneens elke aansprakelijkheid af voor welke gebeurtenis dan ook waardoor schade zou worden berokkend aan de deelnemers die werden toegelaten tot de eindproef architectuur of aan de voorwerpen en documenten die dezen bij die proef in hun bezit mochten hebben.

Opmerking

Reglement gewijzigd bij de beslissing van de Commissie voor studiebeurzenstichtingen van Brabant
dd.8 november 2011